19 March 2012

Bomans over fascistoïde methoden van antifascisten

Citaat 1

In 1971 schreef Godfried Bomans enkele verslagen over de stembusstrijd in Nederland. Ze werden gebundeld onder de titel Op verkiezingstournee  (Werken V, blz. 775-809). Zo aanhoort hij ook minister Udink, lijstaanvoerder voor de CHU (Christelijk-Historische Unie). Hij ergert zich aan de 'selectieve verontwaardiging' waarvan tegenstanders van de spreker blijk geven, en gaat als volgt verder. 

Waar ik mij trouwens evenzeer over verwonder is de manier, waarop het gebeurt. Zo'n minister wordt een fascistoïde instelling verweten. Goed, waarom zou je dat niet mogen zeggen? Maar als je ziet hoe dit gebeurt: schreeuwend en een mogelijk weerwoord van de man met gejoel en gefluit onmogelijk makend, dan zie ik in deze werkwijze duidelijk fascistoïde trekken. Afgezien van de vraag wie er gelijk heeft is de procedure zelf van een intolerantie, die de beschuldiging verre overtreft. Wat zulke mensen over het hoofd zien is de eenvoudige waarheid, dat het fascisme een houding is van de geest, een bepaalde mentaliteit, een geur, een atmosfeer van onverdraagzaamheid, een met boe-geroep iedere discussie in de grond stampend machtsvertoon, die als een plotselinge stank van leer en laarzen door zo'n zaal waait. Eng is dat. (Werken V, blz. 779-780).

Commentaar
De laatste zinnen uit bovenstaand citaat zijn waarschijnlijk de bron van aan Bomans toegeschreven nep-citaten, zoals fascisme is het gevoel dat ik krijg in een zaal vol linkse mensen of fascisme: de sfeer die hangt in een zaal vol linksen. Deze gebalde formuleringen zijn niet van Bomans afkomstig, en zijn dus eigenlijk apocrief. Niettemin zou hij slecht geplaatst zijn om hierover te vitten. In Waarheid en Leugen (over Hans Christiaan Andersen) schrijft hij

Citaat 2
Het merkwaardige doet zich nu voor, dat de kennis van de ontmaskerde Andersen tot enkele connaisseurs beperkt blijft, terwijl de oude mythe zich onverzwakt in de wereld handhaaft. En ik, die beide ken, geloof in alle twee. En moest ik kiezen, dan koos ik de tweede. Want deze komt de 'waarheid' het dichtst nabij.
Ter verklaring van die paradox neem ik een woord van Lodewijk de Veertiende, dat sinds lang als apocrief door de mand is gevallen. Ik bedoel het bekende 'l'état, c'est moi'. Door nauwkeurig  spitwerk is komen vast te staan, dat Lodewijk dit woord niet gesproken heeft. Is die ontdekking interessant? Neen. Immers, daar gaat het niet om. Het gaat hierom: had de zonnekoning dit kunnen zeggen? En dan moeten wij erkennen: ja. Dit woord past precies in de atmosfeer van de Roi Soleil, in de dampkring van het volstrekt persoonlijk absolutisme, waarmee hij zich omgeven had. Het is dus, in die diepere zin, wél van hem. (Werken V, blz. 427-428)


Commentaar (vervolg)
Het is er sedert 1971, toen Bomans dit schreef, bepaald niet beter op geworden. Horden wereldverbeteraars brullen iedereen van de straat of van het podium die hun Waarheid niet deelt. Met name islamkritiek wekt een geloei op dat men voor kinderporno bestemd zou achten. Zo is de Franse feministische schrijfster en journaliste Caroline Fourest onlangs het spreken onmogelijk gemaakt. Plaats van handeling: de ULB (Université Libre de Bruxelles), gebaseerd op de principes van het ondogmatisch Vrij Onderzoek. De datum: 7 februari 2012.

Zie ook Jacques Presser: 'Het nieuwe fascisme zal zichzelf "anti-fascisme" noemen.'