11 April 2017

Jef Geeraerts, autobiografie (2)

Veel van het werk van Jef Geeraerts is autobiografisch van inslag, in die zin dat de literatuur opgebouwd is rond een kern van waarheidsgetrouwe ervaringen en feiten. De bekendste boeken in dat genre dragen het stempel Gangreen, waarmee aangegeven wordt dat pijnlijke levenservaringen therapeutisch behandeld worden. Hier zal ik het over drie minder bekende autobiografische boeken van Geeraerts hebben. Om waarheid en 'verdichting' (dit germanisme drukt het perfect uit) van elkaar te scheiden zijn enkele objectieve feiten onontbeerlijk, en daar beginnen we mee. We ontlenen de feiten hoofdzakelijk aan Eleonore Vigenon, De Spoken van Jef Geeraerts (2007), met uitzondering van de familiale gegevens van het gezin Geeraerts-Swaelen, die van het internet komen.


De feiten

Geeraerts is in 1930 geboren in Antwerpen, uit welstellende middenstanders. Hij doorliep daar tot 1948 de middelbare school (Latijn-Grieks) bij de Jezuïeten, daarna de Koloniale Hogeschool, waar hij in 1952 het licentiaatsdiploma behaalde. Daarna volgde legerdienst in Duitsland, tot 1954. Datzelfde jaar trouwde hij met de vier jaar oudere Josée Swaelen (geboren in Antwerpen in 1926 en overleden in Berchem in 1993). In hun trouwjaar vertrok het echtpaar naar Kongo, waar het zou blijven tot in 1960, jaar van de onafhankelijkheid. In Kongo (Lisala-Bumba) werden hun drie kinderen geboren: Erica in 1955, Erwin in 1956 en Ilse in 1959. Moeder en kinderen verlieten Kongo in april 1960, enkele maanden vóór de onafhankelijkheid, assistent-gewestbeheerder Geeraerts pas enkele maanden erna, in september 1960.

In België moest de ontwortelde en werkloze Geeraerts voor het eerst voltijds samenleven met zijn gezin, wat voor de nodige spanningen zorgde. Na een tijdje als autoverkoper te hebben gewerkt besloot hij in 1962 aan de VUB Germaanse filologie te gaan studeren. Na de eerste kandidatuur, meer bepaald op 3 juli 1963, liet hij zijn vrouw en kinderen van de ene dag op de andere achter en vertrok eerst naar Schotland en vandaar naar Spanje. Hij kwam niet meer naar zijn gezin terug, maar voltooide wel, financieel gesteund door zijn ouders, de drie resterende studiejaren in Brussel. In september 1966 was de pas afgestudeerde licentiaat Germaanse gedurende elf dagen leraar aan het atheneum van Schoten. Daarna leefde hij van zijn pen.

Pas in 1977, veertien jaar na de feitelijke scheiding, was Jef Geeraerts ook officieel gescheiden van zijn vrouw. Het jaar daarop trouwde hij met Eleonore Vigenon, gescheiden van Johan Soenen. Daarna leefden zij als zeer voorbeeldig echtpaar nog lang en gelukkig, meer bepaald dertig jaar. Zij stierf in 2008, hij in 2015.


De verdichting


Schroot (1963).

Geeraerts' debuut in de letteren was Ik ben maar een neger, van 1962. Hoewel het zich afspeelt in Kongo (meer bepaald in Geeraerts' gewest Bumba) kan men er niets autobiografisch in herkennen. Dat is helemaal anders in Schroot, dat het jaar nadien verscheen. Met die titel worden de in België gestrande ex-kolonialen bedoeld, die als schroot, ver onder hun waarde, behandeld worden. Jef is goed te herkennen in de hoofdfiguur, de ex-koloniaal Henri dit Harry. De figuur is natuurlijk literair verwerkt, met feiten en data die niet met de echte Jef Geeraerts overeenstemmen: zwartharig, ongetrouwd, Kongolese carrière begonnen in 1952, geen ouders meer, naar Kongo nog eens teruggekeerd na de onafhankelijkheid enzovoort. De romanfiguur verlaat Kongo in september 1960, zoals de echte Jef, maar dan op zeer avontuurlijke wijze, Leopoldstad bereikend via de Kongostroom, ondertussen afrekenend met diverse aanvallers en verraders. Voor wie (zoals ik) Gangreen I eerder dan Schroot gelezen heeft is het leerzaam meer te vernemen over de eerste koloniale stappen van de pas aangekomen ambtenaar Harry, zijn eerste opdracht (de weg door de brousse waarmee Gangreen I begint), zijn kennismaking en belevenissen met het luxe-hoertje Marie-Julienne dit Julie en andere gelegenheidsmeisjes op bestelling. We krijgen zelfs een flash-back naar Kempense jeugdhelden, zoals die de latere Nachtvogels (saai, niet uitgelezen) bevolken.

Ik vond Schroot zeer genietbaar. Het is geschreven Heide-Kalmthout, juli 61-april 63 en flitst heen en weer tussen 'Harry' die (eveneens in 1961) vereenzaamd in een Kempens vakantiehuisje bivakkeert en illusieloos naar werk zoekt, en het verloren Kongolese paradijs. De auteur ontdubbelt zijn stem doordat hij Harry dronkemansbeschouwingen laat uitwisselen met een andere ex-koloniaal.


Zonder clan (1965).

In deze roman, geschreven Brussel 20/11/63-Schoten 12/8/64, is een ik-figuur aan het woord, die zich moeizaam ontworstelt aan de clan van de vrouw waar hij mee getrouwd is. Zoals de echte Geeraerts bewondert de romanfiguur zijn proletarische grootvader die schril afsteekt bij zijn eigen middenstandersmilieu, loopt hij school bij de Jezuïeten, is ongelukkig getrouwd met een zeer conventionele katholieke Vlaamse, en laat hij zijn gezin in de steek om door Schotland en Spanje te trekken. In Spoken vernemen we dat de uitgever geen nieuw Kongo-boek wou, zodat Geeraerts consequent alle koloniale elementen eruit gewerkt heeft. Zijn romanheld studeert dus niet aan de Koloniale Hogeschool, maar aan de universiteit van Leuven, en wordt geen koloniale ambtenaar maar leraar geschiedenis aan zijn vroegere school. Als student in Leuven wordt zijn eerste liefdesavontuur (fysiek al dan niet voltrokken, dat is niet helemaal duidelijk) door ingrijpen van haar familie afgebroken. Idealistisch en redelijk katholiek zijnde offert hij een vakantie op om in Duitsland voor de Bouworde te gaan werken, en daar ontmoet hij de Chiro-leidster die zijn vrouw zou worden. Volgt een langdurige en volkomen maagdelijke verloving van vier jaar, onder deskundige leiding van een geestelijke biechtvader. Het kil en katholiek huwelijksbed resulteert in de geboorte van een gebrekkig zoontje, dat de moeder helemaal in een staat van apostolische toewijding brengt. De man drinkt, staart uit het venster en loopt naar de hoeren. Tijdens zijn vlucht naar Spanje brengt hij de zomermaanden door als God in Frankrijk, aan de zijde van een warmbloedige Parisienne, en op de terugweg naar huis doet hij in Parijs ook nog eens een hoertje aan. Hij komt wel netjes op tijd thuis terug om het nieuwe schooljaar aan te vatten. (De echte Geeraerts, zo lezen we in Spoken, is op de terugweg niet eens gestopt in Parijs, en was een week te laat voor de VUB.)

De gebruikelijke mix van feiten en fictie is hier extra intrigerend, omdat Geeraerts nooit heeft duidelijk gemaakt hoe hij zijn eerste vrouw ontmoet heeft, wie zij was en waarom hij ermee getrouwd is. De vierjarige verloving moeten we allicht bij de fictie onderbrengen, want Geeraerts had tot 1954 (jaar van zijn huwelijk) een relatie met de joodse Helena, zoals hij graag oprakelt. Voor het overige is de romanfiguur van Zonder clan de Jef die we kennen uit ander biografisch werk: een pantoffelheld die braafjes (inwendig vloekend, naar eigen zeggen) meetrekt naar kerk en familie, en die door zijn vrouw financieel erg kort gehouden wordt. Onze leraar moet whisky kopen met het geld van stiekem gegeven bijlessen. (Ik wist overigens niet dat er vraag was naar bijlessen geschiedenis.)

In de roman delen man en vrouw aanvankelijk grotendeels dezelfde opvattingen, maar hij verwijdert zich daarvan, zij niet:
de congenitaal frigide maar kerkelijke ernstige degelijke hoewel ietwat plompe maar wettige echtgenote (de heilige koe) met de grote voeten de zware handen de zware heupen de zware borsten de zeurende stem die blijft redeneren volgens modellen die ik nu definitief verworpen heb (p.46)
Zou daar iets van aan zijn? Van Geeraerts wordt beweerd dat hij, heel anders dan zijn vrouw, uit een vrijzinnig milieu stamt, maar misschien behoort ook dat tot de mythevorming. Dat hij bij paters naar school gestuurd is (implicerend de obligate Eerste en Plechtige dinges) hoorde misschien bij de ambitieuze middenstand, maar het Heilig Hart op de schouwmantel, onder een fors kruisbeeld, dat kan toch moeilijk iets anders weerspiegelen dan de sfeer van het gezin.

De twaalfjarige J.G. thuis in de schaduw van Heilig Hart en kruisbeeld.
(Detail van de foto in Spoken, p.25)

De ik-figuur verlaat dus definitief de denkwereld van zijn vrouw, en moet ondervinden dat zijn pogingen tot het scheppen van een emotionele band op niets uitdraaien:
en ze haalt de schouders op als ik zeg vind je dit geen mooie melodie of vind je deze zin niet goed geschreven ze had als enige commentaar het woord de plóert toen ik haar het verhaal Een Ontmoeting van Claus liet lezen dat me op één plaats of twee of meer plaatsen even de adem had doen ophouden (p.47)
Aan goede wil van 'zijn' kant ontbrak het dus niet, aan tegemoetkoming of emotionele rijkdom van de andere kant wél—in de roman dan toch.

Ik vond ook dit boek goed, hoewel wat verward van compositie. Geeraerts heeft zelf verklaard dat de zinnen zonder interpunctie een imitatie zijn van Molly's monoloog uit Ulysses. Het hilarische feit dat 'de echtgenote' denkt dat kinderen verwekt worden door kussen heeft Jef misschien ontleend aan Telemachus in het dorp van zijn vriend Marnix Gijsen, waar hetzelfde misverstand voorkomt. (Veroorzaakt door de zin Toi, que ton père a fait naître d'un baiser sur mes lèvres, Chateaubriand).



Goud (1995).

Deze roman is, na De nachtvogels van het jaar voordien, de laatste autobiografische opflakkering van de auteur die sedert 1980 succesvol op het misdaadgenre overgeschakeld was. Het is een voor Geeraerts typische mengeling van actuele werkelijkheid (Eleonore, Drongen, 1995) met flashbacks naar de Kongo van 1955. De werkelijke gebeurtenissen zijn ingrijpend: de aftakeling en dood van een van de twee huiskatten en van vader Geeraerts. De herinneringen draaien rond een spannende luipaardjacht en een oude bekende: Mbala uit Gangreen, waarmee Jef in een oerwoudritueel zowaar getrouwd zou zijn. Ook haar nieuwe fiets (p.744) en extravagant bestedingspatroon zijn al in Gangreen beschreven. De enige zwarte vrouw die ooit van mij heeft gehouden, aldus de auteur (p.690), maar opnieuw blijkt dat de liefde met erg veel boter bij de vis onderhouden moet worden. Dit keer eist Mbala zonder omwegen haar deel van de buit. Jef heeft namelijk met zijn oerwoudzwager goud ontdekt in een riviertje, waardoor (illegaal) geld ruim voorhanden is. Zwager-lief ruimt een chanterende Portugees uit de weg, en Jef moet, enigszins kregelig, ondervinden dat de hele clan van zijn oerwoudbruid op zijn goudvondst vegeteert. En dan is er nog de wettige echtgenote! Zij is zwanger (inderdaad, in 1955 is Geeraerts' eerste kind geboren) en snurkt:
ik opende de deur en keek naar binnen het eerste wat ik hoorde was een ritmisch gesnurk met op het eind van elke haal het gepuf van natte lippen en ik gruwde dermate van dit overbekende geluid dat ik de deur weer dichtdeed en naar buiten liep (p.738)
en
in het begin was het ondraaglijk ik was ziek van wroeging en medelijden maar de passie voor mbala waarin alles mogelijk was genas mij gaandeweg van die zwakheid dankzij haar veranderde het joodschristelijke schuldgevoel dat elke levenskunst verstikt in opgewekt leedvermaak en spot met de witte korrelige huid van madame plus nog andere kenmerken van haar anatomie (p.709) 
Neem acte van de ongewone Jef Geeraerts die 'ziek van wroeging en medelijden' is tegenover zijn vrouw, en die zich van haar (hun?) joods-christelijke opvattingen pas verwijdert door zijn onderdompeling in Kongo. Ook in Zonder clan komt de verwijdering maar geleidelijk.


Ik vond Goud, ondanks een zeker déjà vu van thema's en stijl, (opnieuw) zeer goed. Maar niet iedereen bleek anno 1995 de inwendige monoloog zonder leestekens—een erfenis van James Joyce, zoals we weten—op prijs te stellen. In De Groene Amsterdammer stond te lezen
'Punten, komma's en hoofdletters zij niet voor niets uitgevonden. De Belgen mogen recentelijk het Groot Dictee van de Nederlanders hebben gewonnen, de Belgische literatuur heeft het, dankzij die merkwaardige aanvlieging van een vooraanstaand Vlaams auteur als J.G., voorlopig weer even van de Nederlandse literatuur verloren.' (Spoken, p.654) 


*