04 August 2018

Buchenwald-Dora-Belsen

In 1945 verscheen bij Uitgeversbedrijf FIAT, Gent, een merkwaardig boekje (110 bladzijden) over het kampleven:



De eerste merkwaardigheid is, dat de schrijver onbekend is. Die 'Z.L. Smith' is een pseudoniem, maar van wie? In het boek zelf worden over de ik-persoon de volgende biografische gegevens verstrekt: 
Georges Herreman, geboren in Oostende op 14/2/1915, zoon van Louis Herreman en Maria Palfijn, broer van Lydia Herreman; eind 1942 getrouwd met Marguerite Van Daele, zoontje Leopold geboren op 14/6/1944; frequenteert  “De Pluim” in Brugge; katholiek, lid van de “Turngilde”, verwoed schaker, allicht lid van een club. Technicus van beroep, werkt mee aan het drukken van het sluikblad “De Patriot”, waarin hij ook teksten schrijft, andere corrigeert en ze typt (p.8) Stopt namens zijn verzetsgroep geld toe aan “Madame Van Den Casteele van Gent”, weduwe van een gefusilleerde mede-activist. Een z.g. 'vriendin' van haar brengt hem bij de Gestapo aan, en op 5/5/1944 wordt hij thuis aangehouden. Na eenzame opsluiting en (hardhandige) ondervraging wordt hij via Antwerpen naar Buchenwald gestuurd, waar hij op 24/6/1944 zijn eerste 'Appell' beleeft. Hij wordt tewerkgesteld in de D.A.W. (Deutsche Aufrüstungsgewerke). Na enkele maanden (alleszins na 12/10/1944) wordt hij naar Dora verplaatst. Op zijn verzoek (p.97) wordt hij daar als technicus ingeschakeld bij de onderaardse productie. Op 3/2/1945 wordt hij, blijkbaar wegens een of andere vorm van sabotage, overplaatst naar Bergen-Belsen, waar hij door de Engelsen bevrijd wordt (zondag 15/4/1945).

Zoals de auteur zelf meedeelt zijn "de namen" in zijn verhaal fictief, en dat moet ook op "Georges Herreman" slaan. Waartoe zou een pseudoniem dienen als binnen in het boek de echte naam te lezen staat? Uit de archieven van de Burgerlijke Stand blijkt dat er op 14/02/1915 in Oostende maar twee mannen geboren zijn: Marcellus BROUCKAERT en Albertus Audomarus VANDAELE. Een internetzoektocht, waarbij deze namen geassocieerd werden met respectievelijk Buchenwald, Dora en Belsen, leverde niets op. Zoals anderen ook al hebben vastgesteld: er is niemand bekend die aan de biografische gegevens van het boek beantwoordt.

De auteur heeft dus veel moeite gedaan om zichzelf en andere betrokkenen onherkenbaar te maken, en men vraagt zich af waarom. Hij was toch met opgeheven hoofd en aan de kant van de overwinnaars uit de kampen teruggekeerd? Bovendien maken fictieve gegevens en andere literaire ingrepen een getuigenis natuurlijk niet bepaald sterker. Naast dit ene mysterie, hieronder enkele andere aantekeningen.

De titel vernoemt "Buchenwald, Dachau, Belsen etc,." maar de inhoud gaat over Buchenwald, Dora en Belsen, zonder dat Dachau aan bod komt.

De ik-persoon, Buchenwald betredend, ziet “boven de poort, in zwarte gothieke letters” het opschrift HIER IST DEIN HEIM (blz. 34 en blz. 61). Die tekst is op heel het internet niet te vinden, laat staan dat het de leuze van een concentratiekamp zou geweest zijn. De leuze van Buchenwald is ondertussen genoegzaam bekend. Daar stond, in de tralies van de gesmede toegangspoort, van binnenuit te lezen en in Latijnse letters:



Het is zeer vreemd dat de Gestapo-ondervrager de verraadster met de verdachte zou confronteren, want daarmee wordt de infiltrante natuurlijk verbrand. Ella Lingens-Reiner (Prisoners of Fear, 1948) stipt juist aan dat de aanklacht tegen haar bemoeilijkt wordt doordat de ondervragers systematisch vermijden de naam van de joodse dubbelagent te noemen.

De auteur noemt Bergen-Belsen een Straflager (Strafkamp) waar hij heengestuurd is bij wijze van straf. Ik heb nergens kunnen terugvinden dat Bergen-Belsen die functie had. Het had integendeel o.m. een functie als Erhohlungslager (Herstelkamp), waar arbeidsongeschikte gevangenen uit andere kampen opgelapt werden.

*

Het boekje is in een terughoudende objectiverende stijl geschreven, en is daarin te vergelijken met Lingens-Reiner. Onze 'Smith' is zelfs minutieuzer: wat hij niet weet weet hij niet, en wat hij niet gezien heeft heeft hij niet gezien. Hij formuleert bijwijlen grappig, zoals Jean Tytgat (Achtung. Mützen ab!, 1945) het ook doet, en schroomt zich zelfs niet om enkele grappen voluit in te lassen. Naar het einde toe wordt het wel haastwerk; over de (vermoedelijke) sabotagedaden van de auteur in Dora en zijn status in Bergen-Belsen vernemen we eigenlijk niets.

Ik vind dat 'Smith' zekere literaire verdiensten heeft, die niet helemaal bij een 'technicus' horen (net zo min trouwens als een sluikblad redigeren). De kennismaking met Buchenwald, bijvoorbeeld, wordt verhaald in dialoogvorm, waarbij een geroutineerde medegevangene de dingen aanwijst en in vlotte stijl becommentarieert. Van literatuur gesproken: de ik-figuur bestrijdt zijn geestdodend isolement o.m. door op de vloertegels van zijn cel schaakposities uit te leggen, met rudimentaire schaakstukken gevormd uit stro en gekneed brood. Men denkt onmiddellijk aan de Schachnovelle van Stefan Zweig, waar ongeveer hetzelfde gebeurt. Een andere (niet-literaire) overlapping is, dat in Buchenwald een radio-ontvanger ineengeknutseld wordt met gestolen elektrisch materiaal, iets wat volgens het relaas van Tytgat in Esterwegen ook gebeurd is.

Hieronder een uittreksel (blz.106-108), dat de zeer vreemde bevrijding van Bergen-Belsen beschrijft. Himmler had besloten het kamp, met zijn uit de hand gelopen tyfus en overbevolking, zonder meer aan de Engelsen te laten, en daartoe was een lokale wapenstilstand overeengekomen. Aan de Duitsers (misschien met uitzondering van de SS, dat is onduidelijk) was vrije aftocht beloofd. Dit alles verklaart de eigenaardigheid dat de Duitsers met instemming van de Engelsen het kamp gewapend blijven bewaken, om te beletten dat de gevangenen zich zouden verspreiden en op die manier de tyfusepidemie uitdragen. (Meer hier.)

*
Het zal toch niet lang meer duren : in de verte hooren we reeds de kanonnen schieten en angstig zweetend luisteren we toe hoe snel ze naderen. De SS-mannen schijnen niet boos:  ze loopen hun wacht te doen en zien naar niets meer om. De Lagerschützen schijnen bekeerd tot gewone politieke gevangenen en hebben ook noch cigaretten noch eten meer. Het is wel werkelijk het einde... zullen we het nog zien? Ik ben nog sterk, ik kan nog rond het kamp gaan, ik kan nog tot in het bovenste bed klauteren, daar lig ik alleen want de anderen kunnen er niet meer op. Ik heb hier zeer veel geslapen, dat is nog het beste om het wachten te verkorten…

's Zaterdags [n.v.d.r.: 14 april 1945] zijn een heel deel van de SS-wachten verdwenen, duizende vliegtuigen cirkelen in de lucht en achtervolgen de wegstroomende Duitschers... ze vluchten... wie zich neerzet is gevangen... wie voortholt is het morgen... Enkel een klein aantal mannen van de SS is gebleven om ons te bewaken... Zijn we dan nog gevaarlijk? Och ja, moesten wij uit het kamp loskomen dan was waarschijnlijk binnen een paar dagen de heele omtrek besmet met typhus en dysenterie. (...)

Ik was blij als het lichter werd... we werden niet gewekt. Ik hoorde reeds mitrailleusen knetteren met tusschendoor een zwaarder schot. De SS-wachten stonden in groepjes samen met het geweer op den schouder... ik telde er twee-en-twintig en wat verder nog een tiental. Waren ze niet benauwd en zouden ze niet terugschieten?

De voormiddag verliep in wachten... Daar rolde een engelsche tank voorbij, twee... drie... de mannen keken niet eens op zij, en bolden verder... De SS-mannen hadden zich achter een barak getrokken en kwamen terug... niets meer... ..
  En de dag liep ten einde. Waren we nu bevrijd? of wat?
  Den volgenden dag eerst kwamen enige jeepkens begeleid van motorrijders het kamp binnen : Ik wIIde roepen maar kon niet, zooals al de anderen stond Ik met een dwazen lach op het gezicht toe te zien. Een van de mannen zegde eenvoudig: 'Het Duitsche regime heeft uitgedaan... en we zullen zorgen voor eten en alles wat er noodig is'. Geen cigaret, geen brok brood, niets... en een half uur nadien waren ze weer verdwenen. De SS-mannen bleven gewapend ons bewaken.
  ‘Ze zijn benauwd voor ziekten’ zegde me een man.
  ‘O dat zijn maar de voorposten, ze moeten misschien nog verder…'
  We werden terug naar de SS-kazerne gebracht waar we onze oude kameraden weervonden: verscheidene groene hoeken [n.v.d.r.: gevangenen van gemeen recht, door de Duitsers ingeschakeld bij het beheer van het kamp] lagen vermoord.
  Hier waren reeds Engelschen en ook enkele Belgen die in 't Engelsch leger ingelijfd waren.

*