11 March 2017

Johan Soenen - Neergang 1

Jef Geeraerts is twee keer getrouwd geweest. Kort na zijn terugkeer uit Kongo liet hij van de ene dag op de andere zijn eerste vrouw [Josée Swaelen] en drie kinderen zonder middelen van bestaan in de steek. Later heeft hij zijn kinderen verstoten en is van zijn vrouw gescheiden. In 1978 hertrouwde hij met Eleonore Vigenon, die toen al enkele jaren zijn leven deelde en dat zou blijven doen tot haar overlijden in 2008, op zeventigjarige leeftijd. Dertig jaar lang gingen Jef en Eleonore dus als een publiek echtpaar-uit-de-duizend door het leven, en men ontkomt niet aan de indruk dat zij echt "voor elkander geboren" waren, hoe smartlapperig dat ook klinkt.

De interessante biblio-biografie De spoken van Jef Geeraerts (2007) staat op naam van Eleonore, en ook in Dood in Bourgondië voert zij af en toe mede de pen. In dat laatste boek komt marginaal ook hij voor, haar officiële echtgenoot, met wie het tot een echtscheiding met wederzijdse instemming kwam.













De man heette Johan Soenen, en is in 2014 overleden, negenenzeventig jaar oud. Hij was doctor in de Vergelijkende Literatuurwetenschap, en was zeer actief eerst in het Verbond van Vlaamse Academici en later in het Vermeylenfonds. Naast vakpublicaties heeft hij (nonsense-)gedichten gepubliceerd en de korte roman genaamd: Neergang 1, een doorzichtig anagram van Gangreen 1.

Het boekje van 150 bladzijden, met als omschrijving "roman - echtscheidingsverhaal", verscheen in december 1984 bij de onbekende uitgeverij Nioba uit Lier. De uitgave is zeer amateuristisch, en doet eerder aan gefotokopieerde huisvlijt dan een professionele uitgeverij denken. Wat ik nu voor de tweede keer gelezen heb (met dank aan de faculteitsbibliotheek L&W van UGent) is de "tweede druk", uit januari 1985. Met veel moeite kan men ontdekken dat er ook een "derde, aangevulde druk" moet bestaan, uit 1986, merkwaardigerwijze met minder bladzijden, nl. 132.

Het boek bestaat uit 9 taferelen uit het huwelijksleven van het echtpaar Soenen-Vigenon, voorafgegaan door Bij wijze van inleiding, onderbroken door Bij wijze van kritiek en twijfels allerhande en afgesloten met Bij wijze van afscheid. De taferelen zijn van plaats en datum voorzien, zodat men ze goed kan inpassen in het parallelle leven van het (echt)paar Geeraerts-Vigenon, dat zeer publiek verliep, en bovendien in Spoken goed gedocumenteerd is.

Soenen schrijft dat hij niet zonder twijfel en angst zijn huwelijk met Slora [zo heet ze in zijn boek] langzaam maar zeker voelde wegglijden in de richting van totale teleurgang, zodat hij aarzelend op zoek ging naar het àndere zogenaamd ware geluk [p.73]. Dat geluk vond hij in 1968 bij 'Victoria', met wie hij uiteindelijk moet breken door de machinaties, inbegrepen een halfslachtige zelfmoordpoging, van de jaloerse Slora— aldus de versie Soenen. Hijzelf bracht uiteindelijk Jef Geeraerts in zijn leven binnen toen hij in 1971 de schrijver interviewde voor de Vereniging van Vlaamse Academici. De coup de foudre met Eleonore bleef wel uit, die kwam er pas bij de tweede ontmoeting. Op 13 januari 1972 (aldus Jef in Spoken, p.293) "gebeurde er iets dat op een mirakel leek en dat mijn leven definitief zou bepalen." Vanaf dan trad Eleonore publiek op als begeleidster en muze van Geeraerts. (Lees het verhaal hier na, interview uit 2002.) Volgens de geest van de tijd gebeurde dat in alle openheid, en het jaar nadien kwam Geeraerts bij het echtpaar in Drongen wonen.

Eleonore tot Jef:
Na onze reis India-Nepal (1973) verbleef jij in Drongen (op enkele weekends na). Het leven met z'n drieën was soms wel boeiend maar voor mij onhoudbaar. Ik kon de spanning nog moeilijk aan. Niemand nam een beslissing, over het 'onderwerp' werd niet gesproken. We gingen gedrieën naar cinema Skoop, we gingen samen eten of op bezoek bij vrienden, wat bij sommigen wel grote vraagtekens opriep. In die jaren had bijna iedereen in mijn omgeving een vriend of vriendin, maar met zijn drieën op stap gaan was iets anders. (Spoken, p.354.)
In Neergang (p.93-96) vinden we het verslag van de eerste nacht, najaar 1973, van de 'Grote Kabouter' ten huize Soenen. Er ontstond gekrakeel in de gastenkamer, en midden in de nacht verhuisde Slora naar het echtelijk bed. Soenen:
Nadat hij [na het gemeenschappelijk en zwijgzaam ontbijt] met slaande deur in zijn wagen was gestapt en met gierende banden vertrok, weende zij. Zij wist niet, zo zei ze, wie ze kiezen moest, en ze keek mij hulpeloos aan. Had ik haar op dat moment vastgegrepen en gekust, naar bad en terug naar bed gebracht na deze slapeloze nacht, dan had ik haar wellicht—of wellicht ook niet—voor mij teruggewonnen. (Neergang, p.96)
In de zomer van 1975 maakt het echtpaar Soenen nog een laatste gemeenschappelijke reis naar Praag (Neergang, p.97-103), maar daarna was het definitief uit. Eleonore:
Toen ik [1975, na verblijf met Geeraerts in Nepal] in Drongen aankwam was het huis verlaten en half leeg. Ik wat te moe om te beseffen dat dit de enige oplossing was. Onmiddellijk werd de scheiding ingezet, die gepaard ging met heftige emoties en praktische moeilijkheden, die mijn verzwakte gezondheid niet ten goede kwamen. (Spoken, p.363)
Soenen was intussen een relatie begonnen met een Nederlandse studente [Trudy Ernste], die zijn tweede vrouw en de moeder van zijn kinderen zou worden. In Neergang kunnen we lezen hoe Slora eerst met anonieme, en dan met ondertekende brieven, hem bij zijn toekomstige schoonvader ongeveer van alle mogelijke afwijkingen beschuldigd heeft. Niettemin slaagt hij erin een gelukkig nieuw bestaan op te bouwen, weliswaar in relatieve armoede. Om duistere redenen had hij zijn huis aan zijn ex-vrouw gelaten, en bovendien had de toentertijd bekende Gentse advocaat en TV-kok 'Johnny De Kock' (John Bultinck) een gat in de wetgeving ontdekt waardoor de scheiding met wederzijdse instemming toch op een levenslange financiële aderlating uitdraaide. Die oneerlijke behandeling en de achterbakse zwartmakerij (althans volgens Soenen, die onze enige bron is) vormen de enige therapeutische reden die wij kunnen bedenken voor het schrijven van Neergang. Zij waren samen ongelukkig, leefden een tijdlang naast elkaar heen hun eigen leven, en zijn dan elk afzonderlijk met iemand anders gelukkig geworden. So what? Er is eigenlijk geen reden voor enige rancune, en men vraagt zich af waarom Soenen de behoefte voelt zijn ex-vrouw (Slora, de Kerstboom) en haar nieuwe man (de Grote Kabouter, de Melkboer, Jef De Hond) te kleineren en door anekdotische kleinigheden te kwetsen. Sommige van die schimpscheuten slaan bovendien nergens op, b.v. dat Jef het in het leger niet verder gebracht heeft dan reserve-officier. Dat is zoiets als zeggen dat iemand het niet verder gebracht heeft dan pro–fessor, en nooit fessor geworden is.

Ik vond het boek, de twee keren dat ik het gelezen heb, goed geschreven, hoewel zwak gecomponeerd. (Dat vindt de auteur zelf ook, blijkens de ingelaste zelfkritiek.) Ik deel dus niet de literaire mening van Eleonore:
't Was een belachelijke manier om zijn frustratie te verwerken; blijkbaar heeft hij me het nooit vergeven dat ik met iemand anders zo gelukkig kon zijn. Bovendien is dat boek slecht geschreven. (Interview 2002.)
en begrijp helemaal niet hoe men het hier kan hebben over een in abominabel slecht proza geschreven klaagzang. Blijkbaar hebben die mensen een ander boek gelezen dan ik. Het aangrijpendste tafereel vind ik Doeska (Drongen, 1979) waarin de auteur met een long-rifle onder de regenjas naar zijn ex-huis terugkeert met grimmige bedoelingen. Uiteindelijk schiet hij (of niet? we komen het niet te weten) zijn kat Doeska, waar Jef ondertussen publiek mee uitpakt, dood.
Met gekke sprongen zoals vroeger kwam ze naar mij toe gerend, met een opstaande trillende staart schuurde ze vleiend langs mijn benen. Ik voelde mij uitzinnig van vreugde. Ik heb haar nogmaals onder de warme oksels genomen, haar gestreeld en gekust, zoals ik nooit voordien één vrouw heb gestreeld en gekust. Dan heb ik de long-rifle herladen en oordeelkundig en dreigend (in de hoop dat ze nog tijdig zou weglopen) in beide handen genomen. Ze keek mij onbegrijpend aan, maar verwachtte het schot zonder verpinken. Ik weet niet of ik haar heb geraakt, want tranen hebben mij op dat belangrijk moment het kijken belet. (Neergang, p.126)
In het Bij wijze van afscheid lezen we ook nog het volgende.
Ook het dagboek van Slora , althans een fotokopie daarvan, bleef steeds te mijner beschikking. Daarin had ze haar buitenechtelijk en dus turbulent liefdesleven met Jef De Hond in krachtige bewoordingen neergeschreven. Ik ontdekte het toevallig in de lade met haar naaigerief (sic), toen zij reeds enkele weken met haar voormelde minnaar op reis was naar Nepal en ik dus zelf moest instaan voor het stoppen van mijn sokken. (...)
Maar afgezien van de woorden Zon, Drank en Liefde [de slotwoorden, in hoofdletters—C.I.] heb ik nooit een woord van haar dagboek te grabbel gegooid. Zelfs niet wanneer mij dit, in het kader van onze echtscheiding, heel wat financieel en moreel voordeel had kunnen bezorgen. De fotokopie van haar dagboek heb ik tot op heden schroomvallig in een bankkluis bewaard (wat me telkens opnieuw zowat 300 frank per jaar kost) en niemand zal er ooit inzage van krijgen. En als ik sterf, zal het codenummer van mijn bankkluis samen met mijn as in het landschap van Vlaanderen verdwijnen. Men kan alleen maar hopen, dat de man, die de bankkluis achteraf moet openbranden een analfabeet is. (Neergang, p. 140-141)
Voor zover ik weet is er van dat dagboek niets meer vernomen. De drie betrokkenen (vier, als men John Bultinck ook als protagonist beschouwt) rusten ondertussen in vrede.

Jef Geeraerts, Eleonore Vigenon en John Bultinck in Bayreuth.
Eleonore voor de gelegenheid zonder de ravenzwarte haardos die haar handelsmerk was,
en Jef blijkbaar op bijzonder extra hoge plateauzolen, waardoor hij zijn vrouw in de ogen kan kijken.


P.S. Soenen zelf vernoemt in Neergang enkele keren zijn familiaal milieu en het feit dat zijn vader na de oorlog vijf jaar in de gevangenis zat voor collaboratie. Meer over Roger Soenen is hier te vinden.

Bijgevoegd 13 juli 2023. Uit de stadsbibliotheek van Gent heb ik deze "eerste druk: december 1984" ontleend, gelezen, gescand en in een epub-voor-eigen-gebruik omgezet.



Mij stoorde nu, meer dan vroeger, dat één van de taferelen, namelijk "De melkboer", niet in de eerste persoon staat, met de "ik"-figuur aan het woord. Dit tafereel beschrijft namelijk de ontmoeting van Slora met Soenens latere schoonvader. Hierbij was Soenen niet aanwezig, en hij kan hier enkel doorgeven wat zijn schoonvader hem verteld heeft (of verteld zou hebben, want we hebben enkel Soenen als bron). Zoals hierboven al gezegd: de compositie van het boek is zwak.