26 December 2015

Arthur Schnitzler - Droomnovelle (2)

(vervolg van deel 1)


Het boek zelf 

De precieze datering van de gebeurtenissen in Droomnovelle heeft enkel belang voor wie enige analogie ziet tussen de omzwervingen van Fridolin en die van Leopold Bloom in Ulysses van James Joyce. In beide gevallen zijn de plaatsen in Wenen resp. Dublin en de tijdstippen goed te volgen, maar enkel Joyce geeft ook de precieze datum mee. Dit gezegd zijnde, Ulysses reken ik bij de grote literatuur, maar Traumnovelle allerminst. Een novelle moet beknopt zijn, maar mag niet overkomen als een résumé van een grote roman waaraan de schrijver later hoopt te beginnen. Een voorbeeld.
Onschuldige en toch argwanende vragen, listige, dubbelzinnige antwoorden gingen over en weer, (...) Maar vanuit het luchtige gepraat over de nietige avonturen van de voorbije nacht belandden ze in een serieuzer gesprek over de verborgen, nauwelijks vermoede wensen enzovoort enzovoort (p.10)
Met dit stramien zou een goede schrijver of scenarist inderdaad aan de slag kunnen. Hij zou een vinnige  dialoog schrijven waaraan de lezer zou merken dat de vragen onschuldig en argwanend waren, de antwoorden listig en dubbelzinnig, dat alles stilaan evolueerde van luchtig gepraat naar een serieus gesprek, en hij zou vernemen wat de nietige avonturen in het ene en de verborgen wensen in het andere geval waren. Dit literaire euvel of onvermogen van Schnitzler is op vele plaatsen in de novelle aan te wijzen, en de scenaristen van Eyes Wide Shut hebben er goed aan gedaan deze tekorten in te vullen.

Veel meer dan aan Ulysses deed Traumnovelle mij aan de Openbaring van Johannes denken: een boek waarvan het schrijven gemakkelijk is dan het begrijpen. Toen ik de Openbaring uit had borrelde bij mij de blasfemische gedachte op dat ik desgewenst wel een paar hoofdstukken in die stijl erbij kon fabriceren. De verklaring van mijn beeldspraak hoef ik immers niet te geven, daarmee zadel ik (de grinnikende schrijver) de lezer wel op. Hetzelfde doet zich in de Droomnovelle voor. Er is voor gezorgd dat tussen twee personages en tussen twee scènes altijd wel overeenkomsten ingebouwd zijn, waarmee de diepzinnig ingestelde lezer dan zijn eigen interpretatie kan opbouwen. Enkele van de vele voorbeelden. Het hoertje Mizzi heeft een opvallend rode mond en een opvallend aangename stem; de "geheimzinnige vrouw" heeft die eigenschappen ook. Fridolin wordt verleid door twee "rode domino's" en wordt later geconfronteerd met twee veemrechters in rode gewaden. De vreemde verleider met wie Albertine danst op het gemaskerd bal spreekt met een Pools accent; Nachtigall, die geblinddoekt piano speelt op de geheime danspartij van de volgende nacht, spreekt eveneens met een Pools accent. De domino's die Fridolin verleiden beloven terug te keren, maar doen dat niet; op de geheime danspartij wordt Fridolin gevraagd "of hij eindelijk terug is". Het echtpaar heeft met de ontrouw geflirt in Denemarken, en "Denemarken" is het wachtwoord voor de geheime danspartij, enzovoort. Mijn geannoteerd exemplaar staat vol met dergelijke kruisverwijzingen. Nu, ook Ulysses is één web van kruisverwijzingen, maar daar past de puzzle (op enkele gaten na) mooi in elkaar. Niet aldus de Droomnovelle, waar de aanwijzingen elkaar veeleer uitsluiten dan bevestigen. Bijvoorbeeld: het wachtwoord "Denemarken" is ofwel een onbegrijpelijk toeval ofwel een aanwijzing dat het gebeuren niet echt is, maar zich in de geest van Fridolin afspeelt. Maar de dag nadien vindt hij die villa terug, en krijgt er een geschreven waarschuwing; ook het masker van de danspartij duikt later  fysiek op. Of is het misschien een ander masker? of stelt hij zich alleen maar voor dat het masker op zijn hoofdkussen ligt? Het voordeel van een boek waarin werkelijkheid, droom en fantasie in elkaar overvloeien is juist, dat de schrijver altijd veilig zit. De last wordt immers volledig afgewenteld op de rationele lezer, die na afloop van een thriller toch wenst te weten whodunnit. Hieronder niettemin een poging.


Nacht 1: vastenavond 
(kort genoteerde slecht geschreven flashback)
Fridolin en Albertine nemen deel aan een vastenvondbal. Beiden flirten met de ontrouw. Fridolin wil ingaan op de avances van twee domino's, maar zij keren niet (zoals ze nochtans beloofd hadden) terug. Albertine wijst een verleider af die haar te expliciete voorstellen doet. Het echtpaar raakt in een verliefde bui en sluit de avond op amoureuze wijze af.

Dag 1: aswoensdag 
(korte banale paragraaf)

Nacht 2: 
(Fridolins zwerftocht, Albertines droom)

In een huiselijke sfeer omheen het kind beginnen Fridolin en Albertine over de vorige nacht te praten, en beiden eindigen met een bekentenis van bijna-ontrouw tijdens de vorige vakantie, in Denemarken. Bij Albertine is het enkel misgelopen doordat de man in kwestie weggeroepen is, en Fridolin is door een jong meisje afgeweerd. Fridolin beschouwt de bijna-ontrouw van zijn vrouw gewoon als ontrouw, en is erop uit haar "eveneens" te bedriegen. Geen van de ontmoetingen in de loop van een "onzinnige nacht" met "afgebroken avonturen" (p.46) loopt op iets uit. Naast uiteenlopende vrouwen ontmoet hij ook een "brutale student" (die expliciet genoemd wordt bij de markante ontmoetingen van die nacht, p.46) en verder zijn oud-medestudent Nachtigall, die hem naar "de naakte (mooie, prachtige,...) vrouw" zal leiden.

  • Marianne. Fridolin wordt bij een patiënt geroepen, die al overleden is als hij aankomt. De dochter van de overledene, Marianne, bekent hem haar liefde maar hij is daar enkel door gegeneerd. Vanaf hier duiken vreemd aanvoelende, onwerkelijke waarnemingen op, en Schnitzler, in zijn onhandige stijl, zegt dat ook hier en daar expliciet in plaats van het literair te laten ontdekken. Vanaf hier verbetert het weer stelselmatig van winter in lente, tot Fridolin, na zijn doortocht in de geheimzinnige villa, uit de koets in de sneeuw stapt (die eerder nochtans gesmolten was). Tot de droom-aspecten behoort dat hij zich "plotseling" ergens bevindt, dat "plotseling" veemrechters in behoorlijk geklede mannen veranderen, dat iemand een "abnormaal lange" penhouder tussen de vingers draait of dat de koetsiers van de "lijkwagen" een "belachelijk hoge" hoed ophebben.
  • De brutale student. Fridolin wordt geconfronteerd met een luidruchtige groep studenten in carnavalsfeer en door één van hen (met één oog bedekt als een cycloop) opzettelijk aangestoten. Fridolin denkt over duels en stelt zich de net-niet-minnaar van zijn vrouw als tegenstander voor.
  • Het jonge hoertje Mizzi. Fridolin drijft met onduidelijke bedoelingen binnen bij het zeventienjarig hoertje Mizzi. Zij wil en hij niet, dan omgekeerd, en uiteindelijk gebeurt er niets. Hij zit in de schommelstoel en geniet van haar stemgeluid.
  • Nachtigall. Fridolin belandt in een koffiehuis, en kijkt daar de kranten in. Zijn oog valt o.m. op geweld uit jaloezie en op een jonge vrouw die zichzelf had vergiftigd. Hij herkent er Nachtigall, een oud-studiegenoot die nu als party-pianist door het leven gaat. Hij verneemt van hem dat er vannacht om 2 uur een gemaskerd bal met ongelooflijke vrouwen plaatsvindt waar men enkel met een wachtwoord toegang krijgt. Uit erkentelijkheid stapt Nachtigall (die vroeger door Fridolin financieel geholpen was) in een naïeve constructie die Fridolin moet binnenloodsen.
  • De kostuumverhuurder Gibiser en de jonge Pierrette. Fridolin huurt (het is tenslotte nog carnaval) een monnikpij en een masker, zoals vereist voor het geheim bal en krijgt er ongevraagd ook een pelgrimshoed bij (waardoor hij onder de andere deelnemers zal opvallen). De transactie wordt onderbroken doordat het dochtertje van de verhuurder betrapt wordt terwijl ze aan het flikflooien is met twee mannen, in het rood gekleed als veemrechters. Zij, verkleed als Pierrette met pruik, en door haar vader "geestesziek" genoemd, lonkt naar Fridolin en geeft een duistere aanwijzing over zijn verkleedkostuum. De aanschaf van de maskerade is "echt", maar de scènes met Pierrette lijken droombeelden te zijn.
  • De mooie vrouw. Fridolin verneemt het wachtwoord en huurt een rijtuig om de "rouwkoets" (jazeker!) te volgen waarmee Nachtigall opgehaald is. Er sluiten nog twee rijtuigen, waarin vrouwen zitten, aan. Fridolin raakt probleemloos binnen en blijkt tussen de nonnen en monniken de enige te zijn met een hoed op. Als de monniken zich omkleden in felgekleurde ridders is hij ook de enige die als monnik achterblijft. De mondaine maskers uit die tijd waren eerder symbolisch en bedekten enkel de ogen, maar als de nonnen naakt zijn blijven hun hoofd en schouders in een zwarte sluier verpakt. Een van die vrouwen waarschuwt Fridolin het huis te verlaten terwijl het nog kan, maar hij beslist alles op alles te zetten om haar te verkrijgen. De ridders doen met de naakte vrouwen overigens niets anders dan opwindend dansen, en Fridolin krijgt van de vrouw te horen dat er geen verborgen kamertjes zijn waar "meer" gebeurt. De vrouw die hem eerst met "Sie" aansprak tutoyeert hem nu, alsof zij nu weet wie hij is (dat kan via zijn afgegeven jas gebeurd zijn, wordt later gesuggereerd) en ook weet dat zij hem kent. Er wordt hem een nieuw wachtwoord gevraagd, en als hij dat niet kan geven wordt hij gesommeerd zijn masker af te leggen. Hij weigert dat, en daagt iedereen die daarmee geen vrede kan nemen tot een duel uit. Op het ogenblik dat men hem gewelddadig wil aanpakken komt de geheimzinnige vrouw (de enige die opnieuw non is, de anderen zijn naakt gebleven) tussenbeide en biedt aan hem "in te lossen". Fridolin wordt het huis uitgewerkt en vangt nog net een glimp op van de vrouw zonder kleed of sluier. Uit het gesprek met haar had hij begrepen dat een vrouw die "ontmaskerd" wordt (ook al is het de fout van de man) sterft in een geënsceneerde zelfmoord door vergiftiging. Blijkbaar moeten zij te allen prijze hun anonimiteit bewaren, zoals de Vestaalse maagden hun maagdelijkheid. In een helse rit in de (hermetisch afgesloten) lijkkoets wordt Fridolin teruggevoerd en in de besneeuwde velden achtergelaten.
In de vroege ochtend belandt Fridolin thuis, en verbergt zijn gehuurde kleren. Zijn vrouw, moeizaam ontwaakt, vertelt een lange droom waarin zij ontrouw is, maar Fridolin haar trouw blijft ondanks een aanbod van een koningin (een compositie van het jonge meisje van het Deense strand en de "naakte vrouw" uit het "echte" leven van enkele uren voordien) en ondanks het alternatief dat bestaat uit geseling en kruisiging. (Ja, Schitzler haalt echt alles uit de kast. De naam van het "zuivere" hoertje, Mizzi, is overigens een vleivorm van Maria.)

Dag 2: dag na aswoensdag
 (Fridolins vruchteloze zoektocht)

Fridolin herschikt zijn dag zo, dat hij na de middag op zoek kan gaan naar de mooie vrouw. Hij wordt waarschijnlijk gevolgd door een hem onbekende man.
  • Hij bezoekt Marianne tegen wie hij zeer formeel blijft, tegen zijn aanvankelijke bedoeling in.
  • Nachtigall is, in de vroeger ochtend, van de villa in zijn hotel teruggekeerd en vandaar naar het station weggeleid door twee mannen die zich onherkenbaar maakten.
  • Gibiser neemt de gehuurde monnikspij en masker terug. Pierrette blijkt nu met toestemming van haar vader het hoertje te zijn van een van de "veemrechters" van de voorbije nacht.
  • De villa van de voorbije nacht blijkt echt te bestaan, en Fridolin wordt er afgescheept met een waarschuwend briefje.
 
Nacht 2: 
(Fridolins bekentenis, algemene katharsis)


  • Het hoertje Mizzi is naar het ziekenhuis gevoerd, allicht met een geslachtsziekte (waaraan Fridolin dus vorige avond ontsnapt is), maar niet fataal want zij wordt na herstel terug verwacht. In haar plaats biedt nu een kamergenote zich aan, maar Fridolin blijft Mizzi "trouw".
  • Fridolin belandt opnieuw in een koffiehuis, waar hij opnieuw de kranten doorbladert. Via een krantenbericht en een bezoek aan twee hotels verneemt hij het volgende. Een opvallend mooie vrouw die zich "barones Dubieski" noemde (maar dat niet was) verbleef al enkele weken in een chic hotel. Zij was die morgen (rond de tijd dat ook Fridolin en Nachtigall thuiskwamen) teruggebracht door twee heren, die kort voor de middag terugkwamen. Toen bleek dat de vrouw zichzelf vergiftigd had (zoals de straf was voor een "ontmaskerde" vrouw in de villa).  
  • Fridolin verneemt in het ziekenhuis dat de vrouw in de vooravond overleden is. Met een oud-studiegenoot, die het toezicht heeft, zoekt hij haar in het mortuarium. Het is ondertussen tegen middernacht, en collega Adler veroorlooft zich een maçonnieke allusie: dat zij zich "in diesen heligen Hallen" bevinden op het middernachtelijk uur (uur waarop de loges symbolisch hun arbeid beëindigen). Fridolin had al eerder bedacht dat hij misschien, zonder dat hij het wist, proeven onderging met het oog op een inwijding, en in de villa was hem letterlijk gezegd dat hij zich in de voorhof van bepaalde mysteriën bevonden had. Hij vindt de vergiftigde vrouw die, fysiek gesproken, de geheimzinnige vrouw zou kunnen zijn maar evengoed niet. Hij realiseert zich dat hij zich haar voorgesteld had met het gezicht van Albertine. (Ja, Schnitzler staat voor niets.)
Thuisgekomen treft Fridolin zijn vrouw slapend aan, met zijn gehuurd (maar niet teruggebracht) masker op het hoofdkussen ernaast. Zijn zenuwen begeven het nu volledig, en hij vertelt zijn vrouw zijn hele avontuur, maar alsof het een droom was, zoals de hare geweest was. Op het achterplat van het boek staat het goed samengevat: haar bijna-werkelijke droom tegen zijn bijna-gedroomde werkelijkheid. Het echtpaar realiseert zich de dunne grens tussen werkelijke en gedroomde ontrouw, ervaart dit als katharsis en blikt de toekomst (zijnde de nieuwe dag) opnieuw liefdevol verenigd tegemoet.

*

(vervolg en einde in deel 3)