20 February 2013

Madelon in de mist van het schimmenrijk

Definitie. Een groot boek is een (qua vorm en inhoud) meeslepend boek dat ook technisch in orde is, en dus geen tegenstrijdigheden, onmogelijkheden, onwaarschijnlijkheden of taalfouten bevat. Een kenmerk van een groot boek is, dat het bij elke hernieuwde lectuur beter wordt.

Definitie. Een groot schrijver is iemand die minstens één groot boek geschreven heeft.

Volgens die definities kan men dus iemand een 'groot' schrijver noemen hoewel men er maar één boek van gelezen heeft. Dat is bij mij het geval met Multatuli, Joyce, Lucretius en Tolkien. Heel uitzonderlijk zijn auteurs met meer dan één groot boek naast een boel mindere (Hemingway, Elsschot), en nog uitzonderlijker zij, die verschillende grote boeken hebben en geen of bijna geen mindere (Céline). Maar van de meeste van mijn grote schrijvers heb ik één groot boek gelezen naast verschillende die 'minder' tot 'slecht' zijn. In die categorie valt ook de man over wie ik het hier zal hebben: Willem Frederik Hermans. Ik noem hem een groot schrijver op grond van zijn prachtige roman 'Nooit meer slapen'. (Ik verkies overigens de oorspronkelijke versie. Vanaf de vijftiende druk heeft Hermans de afloop veranderd.) Al het andere wat ik van Hermans gelezen heb (De donkere kamer van Damocles, Onder professoren, Het behouden huis, Au Pair) viel mij erg tegen.

In 2010 verscheen 



Daarin vond ik naast veel ander boeiend materiaal (o.m. over Hermans' turbulente academische carrière) ook dit (blz.302):

De wetenschappelijke assistent die Hermans destijds was, keek in de angstige oorlogsjaren zijn ogen uit en wist er op de valreep van zijn literaire leven een meesterwerkje over te schrijven. Nog één keer wist Hermans te schitteren. Madelon in de mist van het schimmenrijk is als een laatste groet van een groot schrijver.
Het boek(je) van 130 bladzijden



dateert van 1994. Ik heb het gekocht en met hoge verwachtingen gelezen. Tja, wat zal ik ervan zeggen na die eerste lectuur?

Vooreerst: anders dan bijvoorbeeld Harry Mulisch beheerst Hermans het Nederlands voortreffelijk. Hij kent het onderscheid tussen 'meebrengen' en 'meenemen', tussen de geslachten van de zelfstandige naamwoorden en tussen 'plaats' en 'plek'. Ik, die een muggenzifter ben, heb mijn potloodje enkel moeten bovenhalen om één 'deur' vrouwelijk te maken. (De keukendeur stond op een kier en zij trok hem -ai!- dicht, blz. 61).

Inhoudelijk ben ik er niet warm van geworden. De sfeer van de oorlogshongerwinter is raak getroffen, en daar leent Hermans' sobere stijl zich ook goed toe. (Hoewel ik de oorlogspassage in De Aanslag van Mulisch veel pakkender vind.) Maar het is ook een liefdesroman over een vrouw tussen twee mannen, en dat is maar een houterig geval. Passie is duidelijk niet Hermans zijn ding. Bovendien is de gekozen vorm, die van een dagboek, niet erg overtuigend. De reden voor die inkleding ligt voor de hand: het boek is begonnen als Boekenweekgeschenk toen 'Dagboeken, brieven en biografieën' het thema was. Nu, ik kan mij moeilijk voorstellen dat een verzetsman, zo naïef als hij is, een dagboek laat slingeren met details over aanslagen, onderduikers, geheime zenders en bergplaatsen van wapens!

Ook inzake plot moet men bereid zijn wat te slikken. Hier komt een sterk staaltje. (SPOILER ALERT. Lees niet door als het u om de thriller te doen is.) Onze verzetshelden hebben een zender bemachtigd, en nemen zich voor, daarmee informatie naar Engeland te zenden. Daarvoor moeten zij iemand vinden die morse kent. Daarvoor zal Karel (hoewel niet echt een lady's man) een telegrafiste verleiden, moeilijker is het niet. Daarvoor belt hij naar het nummer voor het telefonisch opgeven van telegrammen. 'Na een paar minuten zeuren' met de stem aan de andere kant van de lijn wordt een afspraakje gemaakt, er duikt een bloedmooi meisje op dat al vier jaar verloofd is, tien dagen later bekent Hij aan Haar dat hij verliefd op haar is, en de driehoeksverhouding is een feit. Dit alles op minder dan één bladzijde (blz. 10), ik vind niets uit. Bij Casanova en Choderlos de Laclos vraagt verleiden-à-la-carte behoorlijk meer tijd en moeite! (SPOILER AHEAD.) Op blz. 98 krijgen we de 'verklaring' voor die telefonische bliksemromance: een waarzegster had de telefoniste voorspeld dat iemand haar zou opbellen met de zinnen die Karel inderdaad gezegd had, dat zij op hem verliefd zou worden enzovoort enzovoort. Tja. Van die dingen, dus. Waar zijn die 'paar minuten zeuren' per telefoon dan nog voor nodig? Een bovennatuurlijke voorspelling zou moeten volstaan, lijkt mij.

(Wordt aangevuld na tweede lectuur.)