26 May 2016

"La Gantoise", de orangistische Brabançonne (1838)

In 1830 scheurde zich uit het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden, met Franse militaire steun, een Franstalig miniatuurstaatje los. Acht jaar later, in september 1838, werd het separatistische heldenfeit herdacht door het inhuldigen van een vrijheidsbeeld op het Brusselse Martelarenplein.


Uit de verte moet de plechtigheid knarsetandend gadegeslagen zijn door de Gentse orangistische advocaat Pierre Lebrocquy. In de daarop volgende dagen verwerkte hij zijn trauma in twee liederen, een Nederlands en een Frans, die als orangistische tegenhanger bedoeld waren van La Brabançonne, die aanvankelijk La Bruxelloise heette. Wij vinden ze beide in


namelijk De ware Vryheid, Gentsch volkslied op p.94 (meer daarover hier) en La Gantoise, Chant national op p.104. In het voorwoord kunnen we lezen dat de verzamelde liederen aanvankelijk niet voor het grote publiek bedoeld waren, maar enkel voor sommige byzondere vriendenkringen. Daarmee zijn de vrijmetselaarsloges bedoeld, in het bijzonder de Gentse orangistische loge Le Septentrion. Liederen, zowel in het Frans als het Gents-gekleurd Nederlands waren daar een vast onderdeel van de banketten. De Dulle Griete bevat eigenlijk Vlaemsche liedekens, maar geeft op het eind ook enkele Franse mee die als voorbeeld gediend hebben voor Nederlandse versies. Daaronder dus ook La Gantoise. Bij zo goed als alle liederen staat, logischerwijze, de stemme of wyze (in het Frans air) waarop de tekst gezongen moet worden. De uitzonderingen zijn: twee deuntjes die de Gentenaar van toen bekend zullen geweest zijn (den Belgische Pier la la en Het hondekot te Gent), een op eene nieuwe wyze en La Gantoise zonder iets. Die leemte is vreemd, want men mag toch verwachten dat de koper van een liederenboek kan uitmaken op welke melodie de liederen gezongen moeten worden. Van de Nederlandse versie De ware Vryheid krijgen we de melodie wél, maar die is, gelet op de totaal verschillende rijmschema's, zeker niet die van het Franse lied. Voor La Gantoise ligt de invulling min of meer voor de hand, want zij wordt onmiddellijk gevolgd door een ludieke versie, Les brouillons de Gand, met exact hetzelfde rijmschema, en met Oui les Gantois waar eerst Je suis Gantois stond. Bij de ludieke versie vinden we wél

 AIR: On ne sait pas ce qui peut arriver

In de vrijmetselaarskringen rond Lebrocquy was de melodie geen onbekende, want in Fleurs d'Oranger (1838) vinden we op p.60 een schimplied op Leopold de Coburger, met hetzelfde rijmschema en dezelfde air.

Hiermee kennen we wel de verwijzing, maar nog niet de muziek, en wij moeten op zoek naar een toen populair lied met On ne sait pas ce qui peut arriver als titel, beginvers of refrein. Bovendien moeten we er rekening mee houden dat die melodie onder uiteenlopende verwijzingen gegeven kan worden, want de teksten werden voortdurend aangepast, en des te meer naarmate de liederen populairder waren. Voor het decennium 1820-1830 vindt men (onder diverse namen) drie melodieën waarvan On ne sait pas ce qui peut arriver het refrein was. We geven er hieronder telkens één exemplaar van, en kiezen ze zo, dat het refrein ook nog eens de titel is. We beperken ons telkens tot de eerste strofe.

Dit lied op tekst van Antoine Marie Coupart bestaat uit kwatrijnen, waarvan het refrein dus om de vier verzen terugkeert. O ma Zélie (welk lied dat verder ook mag zijn) kan bijgevolg niet de melodie zijn van La Gantoise, dat een refrein om de acht regels heeft.


2. Joseph Denis Doche, Vaudeville des Amazones et des Scythes.

 Caveau Lyonnais (1828), p. 205:


Deze vaudeville, op een air noveau de Doche, is de slotscène van Les Amazones et les Scythes (1811). Het oorspronkelijke couplet van Doche bevat verzen van 8 en van 10 lettergrepen, maar met wat proppen en rekken kan men er ook liederen op zingen met het rijmschema van La Gantoise, zijnde acht verzen van 10 lettergrepen, met gekruiste rijmen, beginnend met een vrouwelijk rijm (d.w.z. op een doffe -e). Onder de vele populaire versies waren er ook met refrein Je suis Français, mon pays avant tout. Aldus in

La Foudre (1821), pp.423-424:

De muziek verdient onze bijzondere aandacht, want van Je suis Français naar Je suis Gantois, op dezelfde plaats in het refrein, is maar een kleine stap. In de vrijmetselaarskringen rond Lebrocquy was ook Je suis Français, mon pays avant tout geen onbekende, want we vinden er twee attestaties van. De eerste in Étrennes poétiques aux fidèles (1834) p.88 (het maçonniek karakter blijkt uit Commémoration des morts, lue à la loge de... op de volgende bladzijde), de tweede in de Pot-Pourri Maçonnique (p.7) die in Le Septentrion weerklonk op 28 februari 1838. Ook van On ne sait pas ce qui peut arriver hebben we boven al twee Gentse maçonnieke attestaties gegeven. Dat men in dezelfde kringen op hetzelfde tijdstip voor eenzelfde populaire deun twee verschillende verwijzingen zou hanteren is niet uitgesloten, maar toch niet zeer waarschijnlijk. Om die reden nemen we toch maar afscheid van de Amazones van Doche als muziek voor La Gantoise. Wie het toch eens wil proberen: de partituur staat op p.76 in La musette du vaudeville, ou recueil complet des airs (1822) van Doche himself.


3. Jean Antoine Meissonnier, Mon Carnaval


Deze verwijzing confronteert ons met een laatste moeilijkheid, want in Œuvres complètes de Béranger, Tome V vinden we Mon carnaval met twee melodieën: nr 177 (air nouveau de M. J. Meissonnier, in 6/8) en nr 177bis (air des Chevilles de Maître Adam, in 2/4). Nr 177bis was een protototype dat overklast is door de latere compositie van Meissonnier. Béranger heeft nog vier andere liederen op air du Carnaval (de nrs 224, 226, 239 en 248), en telkens gaat het om de versie Meissonnier, ook als dit er niet bij staat. En een halve eeuw later zong men nog altijd On ne sait pas ce qui peut arriver op de muziek van Meissonnier, zie Dictionnaire des lieux communs (1881) onder 'arriver'. (Dans un grenier is een van de vijf liederen van Béranger op die melodie). Tot slot, de 2/4-maat van 177bis leent zich slecht tot een Chant National, terwijl nr177 in de maat van de Nederlandse versie is. Kortom, wij hebben een winnaar, en hier komt hij met de eerste en de laatste strofe van de zeven:

Als de lettergrepen gewoon op de noten gezet worden, zoals hierboven, ontstaan onnatuurlijke accenten in de maten 16 en 22 (TOIS j'ho-no-RE d'au-tres). Men kan in die maten de eerste en derde achtste verlengen, en de tweede en vierde verkorten; het effect is dan enigszins zoals in de maten 18 en 24 met hun triller en voorslag. Op synthetische piano klinkt het zo. Voor wie het beter kan, en er de pianobegeleiding bij wil, hier de partituur van Meissonnier:


De aandachtige lezer zal merken dat J'ai vu de loin van Lebrocquy exact in de plaats komt van J'entends au loin bij Béranger. (Dit gezegd zijnde, het eenvoudige 177bis met zijn structuur A-A-B-A is veel zingbaarder, en alle lettergrepen vallen precies waar ze moeten vallen.)

P.S.1 Eind 1840 zong Lebrocquy zijn Gantoise voor het laatst, en na de laatste strofe ging het orangistische licht in Le Septentrion onder schamper gelach uit. Hij licht het zelf toe in Souvenirs d'un ex-journaliste, pp. 97-100. Meer over Lebrocquy en de orangistische Septentrion leest men hier.

P.S.2 In 1857 schreef ook Prudens van Duyse in het Frans een politiek gedicht met als titel La Gantoise. Het is te vinden in Van Duyse/Bundel 80 van de Koninklijke Akademie voor Nederlandse Taal- en Letterkunde van Gent en is hier te bekijken. Het is niet duidelijk of Van Duyse zijn Gantoise geïnspireerd heeft op die van Lebrocquy; in elk geval is het rijmschema anders.